Auteur: marleneraakt

Jongeren niet gemotiveerd? Echt wel!

Interviews

Jongeren van nu zijn lui, ongeïnteresseerd en niet gemotiveerd. En zeker mbo-leerlingen, daar is helemaal niks mee te beginnen. De stereotypen zijn algemeen bekend. In hun nieuwe boek ‘Motivatie binnenstebuiten’ stellen Huub Nelis en Yvonne van Sark van YoungWorks dat jongeren wel degelijk te motiveren zijn. Je moet alleen weten hóe. Daar kunnen we bij bureau david over meepraten. En jawel, ‘zelfs’ mbo’ers kun je ergens warm voor krijgen.

Het nieuwe boek van YoungWorks, bureau voor jongerencommunicatie, is de opvolger van het succesvolle ‘Puberbrein binnenstebuiten’ uit 2009. Nelis en Van Sark verklaren hierin het gedrag van pubers aan de hand van de ontwikkeling van hun brein. Ze boden hiermee ouders en opvoeders handvaten voor het omgaan met onvoorspelbare pubers.

Motivatie binnenstebuiten

‘Motivatie binnenstebuiten’ richt zich specifiek op de vraag of en hoe jongeren gemotiveerd kunnen worden. De schrijvers hebben voor het antwoord hulp gezocht bij praktijkdeskundigen en bij jongeren zelf.

Een van hun conclusies luidt dat jongeren best te motiveren zijn, maar dat ze hun motivatie vooral zoeken en vinden op manieren die volwassenen niet verwachten. Nelis en Van Sark geven praktische tips om de motivatie te stimuleren. ‘Zoek enthousiasme, interesses en wensen. Moedig dromen aan, het is belangrijk te luisteren naar passie’.

‘Ze doen niks, ze leren niks en ze willen niks’

Adviezen die ons bij david bekend in de oren klinken. Dagelijks zijn wij aan het werk voor onderwijsinstellingen waaronder twee roc’s; ROC Midden Nederland en ROC de Leijgraaf. Wij kennen het negatieve imago waarmee het mbo-onderwijs worstelt en de verhalen die over mbo-leerlingen verteld worden. Ze doen niks, ze leren niks en ze willen niks, daar komt het zwart/wit gezegd op neer. Je hoort het zo vaak dat je er bijna in gaat geloven.

Bijna, want iedere keer weer komen we in de praktijk jongeren tegen die het tegendeel bewijzen. YoungWorks zegt over jongeren van nu, “de vernislaag is eraf”. Daar moeten we ze een beetje gelijk in geven. De eerste aanblik kan soms wat stekelig zijn of ronduit intimiderend. Maar door die buitenste schil prik je snel heen. Investeer wat tijd en energie, en je komt uit bij een beleefde, geïnteresseerde en jawel zelfs gemotiveerde kern.

De kunst is een verbinding te maken met jongeren op een manier die hen aanspreekt. Hoe je dat doet? Natuurlijk door de vakliteratuur bij te houden, onderzoeken te lezen, enquêtes te houden bij je doelgroep maar vooral door tijd met jongeren door te brengen. En dat doen wij dus ook. Aanwezig zijn op school, lopen in de gangen, vragen waar ze mee bezig zijn, luisteren naar hun muziek, kijken naar hun games en praten, praten, praten.

‘Praten, praten, praten’

Als het je lukt om een klik te krijgen, dan zie je de leukste dingen ontstaan. Leerlingen van nu leven in een onderhandelingscultuur en nemen niet zomaar iets aan alleen op basis van autoriteit. Dat maakt de interactie met hen misschien lastiger maar wel uitdagender. Je moet met inhoudelijke argumenten komen om ze mee te krijgen. Dat vergt wat van je, maar dat is alleen maar mooi toch?

Voor ROC de Leijgraaf toeren we momenteel door Brabant met een groep leerlingen die filminterviews afnemen bij topmensen uit het regionale bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Toen david dit idee ging voorstellen in de klas, waren de eerste reacties niet hoopgevend: ‘Hoeveel krijgen we hiervoor betaald’ en ‘Wat gebeurt er als ik het gewoon niet doe?’. We gingen toch aan de slag, en de eersten aan de beurt waren vier stoere heren die vooral naar elkaar wezen toen het tijd was een interviewer te bepalen. Uiteindelijk was Sjoerd de sigaar, en nam hij zijn plek in voor de camera. Tegenover hem een big shot uit de internationale zakenwereld. Al na enkele minuten was duidelijk dat we voor onze ogen een talent geboren zagen worden. Sjoerd luisterde geboeid, hij vroeg door, hij was betrokken bij het gesprek; kortom ‘watch out Hilversum, uit Brabant komt een nieuwe lichting tv-journalisten’.
Het interview verliep zo goed dat de ondernemer nog heel lang met de mbo-studenten heeft nagepraat. Over doelen en passie, over studeren en werken en over het leven. De vonk van Sjoerd sloeg over op zijn klasgenoten en ook zij raakten enthousiast. Want voor jongeren is niks zo belangrijk als peer-pressure en “doen wat je vrienden doen”.

‘Ik wist niet dat ik dit kon en dat het zo leuk zou zijn’

Deze ervaring is geen uitzondering. Behalve Sjoerd hebben we bij onze rondgang nog meer interviewtalenten ontdekt. En veel belangrijker; zij hebben zichzelf ontdekt. “Ik wist niet dat ik dit kon, en dat het zo leuk zou zijn” is al vaak voorbij gekomen. Sjoerd denkt er over meer in deze richting te gaan doen. Net als Nanda, die ook helemaal op haar plek is voor de camera. Nog een extra interview draaien? Geen probleem, wanneer willen jullie me hebben? Het enthousiasme en de motivatie spatten er van af.

En dat maken we regelmatig mee met mbo-leerlingen. Dat maakt het omgaan met jongeren binnen en buiten het onderwijs zo leuk en motiveert óns om ons werk te doen.

Ik taper dus ik besta

Clinic Marleen Veldhuis LacoBij david mogen we regelmatig hele leuke dingen bedenken voor onze klanten. Zo vroeg Laco om een nieuw concept voor de Laco Sportieve Startweek. Een speciale week direct na de zomervakantie waarin Laco-leden gratis kunnen kennismaken met allerlei sportieve activiteiten.

Onze gouden creatieven lanceerden het idee om Marleen Veldhuis, Olympische kampioene en de snelste  zwemmoeder ter wereld, het boegbeeld te maken van de Laco Sportieve Startweek 2013. Wie de afgelopen maanden in de buurt van een van de 40 Laco-vestigingen is geweest, kan het niet ontgaan zijn. De beeltenis van de goedlachse Marleen sierde gevels, vlaggen, posters en haar foto was metershoog te zien op reclamezuilen langs de snelwegen.

Het verhaal van Marleen, die als geen ander weet hoe belangrijk het is om fit te zijn en te blijven, slaat aan. Voor de finish van de campagne, een zwemclinic van Marleen zelf, is dan ook veel animo. De gelukkige Laco-bezoekers die hiervoor uitgeloot zijn, melden zich op een zaterdagmiddag bij Laco in Oirschot.

En ook david is er bij, in mijn persoontje. Om de pers te begeleiden die is gekomen voor een foto en een praatje. En om Marleens ervaringen aan de rand van het zwembad op te tekenen voor het persbericht dat Laco na de zwemclinics de wereld in stuurt. Enkele weken eerder heb ik de zwemkampioene al een keer ontmoet, en het is mooi om te zien hoe de 80 clinic-deelnemers mijn mening delen. ‘Zo vriendelijk, zo toegankelijk en zo gewoon’.

Daar zijn we goed in, wij Nederlanders, om na een hele serie topprestaties heel gewoon te blijven, en dat is best iets om trots op te zijn. ‘Ben jij Marleen Veldhuis’, vraagt de 5-jarige Ireen met open mond. ‘Ja, dat ben ik. En hoe heet jij? Hee, dat rijmt op Marleen!’ Waarmee ze er direct weer een fan voor het leven bij heeft, die de hele middag niet meer van haar zijde wijkt. Bij het broodje kaas en de soep tussen twee clinics door, zit Ireen bijna bij Marleen op schoot. En na afloop gaan ze samen op de foto, onder de ereboog met ballonnen voor de entree.

Het clinic-gezelschap is heel divers die middag; van de ‘grijze zwembrigade’ die rustig baantjes trekt tot bloedfanatieke meiden in hypermodern zwempak die van Marleen willen horen hoe ze een paar seconden extra kunnen winnen bij het keerpunt. De ‘trainster for a day’ heeft voor iedereen wijze woorden en nuttige tips. Zelfs voor mij, terwijl ik niet eens in het water lig.

Taperen is het nieuwe toverwoord dat ik bij de clinics van Marleen Veldhuis leer

‘Taperen’ is het nieuwe toverwoord dat ik bij de clinics leer. Taperen, ik moet even navragen bij Marleen hoe je het schrijft. Zo dus, en in de topsportwereld is het een bekend begrip. Als je naar een topprestatie toewerkt, begin je eerst met de basis. Je formuleert je doel, zorgt dat de randvoorwaarden kloppen en schaaft aan je techniek. Logisch, snap ik.

Dan train je je wekenlang helemaal suf. Lopen, fietsen, zwemmen, alles is goed als je maar je conditie opvijzelt. Werken, uren maken, doorstomen. Maar dan komt het mooiste stuk; taperen. Een paar dagen voordat je het echt waar moet maken (in het zwembad of waar dan ook) neem je rust. Je slaapt, je luiert, je mijmert, neemt afstand en doet niks behalve misschien een heel klein beetje de laatste puntjes op de i. Zodat je weer krachten opdoet voor het moment suprême. En dan, op het uur U, knal je alles er uit. Pats boem, in een keer raak.

Pas als je goed hebt getaperd, kun je er ook echt staan als het nodig is. De woorden van een Olympisch kampioene, en wie zijn wij om hier aan te twijfelen. Intuïtief heb ik het altijd wel geweten, dat de nul-momenten eigenlijk heel zinvol en nuttig zijn. Het lijkt voor de buitenwereld misschien dat je weinig doet, maar ondertussen ben je hard bezig met het voorbereiden van een topprestatie.

Nadenken en focussen is net zo belangrijk als gas geven en doorstoempen

Even stilstaan en op de plaats rust, nadenken waar je mee bezig bent en je focussen op het perfecte mikpunt, is net zo belangrijk als gas geven en doorstoempen. Ik taper dus ik besta! Wie had gedacht dat je op een zaterdagmiddag in het Oirschotse zwembad zo’n belangrijke levensles kunt leren.

Yes you can!

“Don’t just plan to write – write.”

“Don’t just plan to write – write.”

Wijze woorden van auteur PD James. Het subgroepje Tekst van davids afdeling Creatie balanceert net als alle creatievelingen op aarde met enige regelmaat op de glijdende schaal tussen de noties ‘inspiratie’ en ‘transpiratie’. Geen tegengestelde polen, maar twee uitersten in een woelige wereld die uiteindelijk een mooi creatief product zal voortbrengen. Het eindresultaat staat vast, is zelfs een vereiste – want de klant verdient niet minder – maar het proces hiernaartoe, hoe pak je dat aan?

Is discipline het juiste adagium? Als een quasi-ambtenaar iedere dag op hetzelfde tijdstip achter de pc met het vaste voornemen om voor vijf uur zoveelduizend woorden te tikken? Schrijven als ambacht, net zoals iedere andere job. Niet bang zijn om onzin te maken, gewoon aan de slag en daarna bekijken of het pure rubbish is of dat het nog opgepoetst kan worden. Zoals collega-auteur Sarah Waters zegt in het artikel waar ook PD James zijn wijsheid deelt; “..sometimes easy to achieve, and sometimes, frankly, like shitting a brick…”

“Sometimes, frankly, writing is like shitting a brick”

Ssstt, de schrijver schrijft!
Of wacht je op goddelijke inspiratie, het symbolische vlammetje boven ’t hoofd als bij de apostelen die met Pinksteren de heilige geest krijgen? De auteur als romantische figuur die eenzaam in de nacht achter zijn bureau bij het licht van een vlakkerende kaars zijn zielenroerselen woordje voor woordje aan de pc toevertrouwt. Zijn omgeving op kousenvoeten om hem heen sluipend, want ssstt, de schrijver schrijft!

Het is een vraagstuk dat, zoals alle belangrijke kwesties, niet één juist antwoord kent. De voorkeuren zijn voor iedere schrijfprofessional verschillend, en naar mijn bescheiden mening is ook het soort schrijfsel van belang. Iedere schrijvende ‘creatief’ zal erkennen dat wat hij of zij doet voor een (groter of kleiner) deel een ambacht is. Tot op zekere hoogte kun je schrijven leren. Er zijn vuistregels voor en je kunt je vaardigheden op dit gebied bijschaven. De geheel talentlozen nagelaten, kan iedereen na een periode van oefenen een redelijk leesbaar en begrijpelijk instructietekstje in elkaar steken. En dat geldt ook voor een informatief zakelijk artikel. De balans slaat hier duidelijk door naar de tips ‘Being disciplined’ en ‘Keeping your thoughts organized…’ uit het artikel 25 Insights on Becoming a Better Writer (99U).

Briljante brainwaves en faliekante blunders
Maar voor spetterende short copy, een pakkende pay off en een geëngageerde speech moet je uit andere bronnen putten. Een bij het schrijven van een roman kom je er ook niet met iedere dag acht uur aan je schrijftafel zitten. Concentratie, rust, ruimte in je hoofd en in je hart zodat je plaats maakt voor vrije associatie, voor het ronddrijven van gedachten, voor briljante brainwaves en faliekante blunders, voor energie, voor nieuwe dingen en schepping en creatie. Echte goede teksten raken het hart van de lezer. En dat kan alleen als ze bij de schrijver ook uit het hart komen.

De organisatoren van het Praktijkcongres Succesvol Persbeleid dit najaar hebben dit ook begrepen en kiezen voor het thema ‘Content of Sentiment’. Storytelling als middel om gehoord te worden in een wereld die bolstaat van de soundbites en oneliners. Niemand minder dan Jon Favreau, speechwriter van President Obama (Yes We Can!) gaat uiteenzetten hoe een goed authentiek verhaal verandering in denken en gedrag kan teweegbrengen. “Het belang van betekenisvolle woorden kan niet overschat worden”, aldus Favreau.

Het zou interessant zijn van Mr. Wordsmith himself te horen hoe hij zijn historische speeches voor de president schreef. Is dat een kwestie van draft-na-draft-na-draft, of heeft hij inderdaad zoals Barack Obama beweert met hem een telepathische creatieve relatie waardoor Favreau de gedachten van Amerika’s First Man kan lezen en de juiste woorden als bij toverslag op het scherm verschijnen?

Wie het hem wil vragen, moet daarvoor diep in de buidel tasten, want slechts een select groepje mag aanwezig zijn bij een Meet&Greet met de no 1. Speechschrijver. Zijn antwoord is ook niet zaligmakend, want wat werkt voor hem hoeft niet voor mij te werken. De weg naar succes loopt via trial and error. Ook voor ons copywriters bij david. De ene keer is de eerste briljante inval de beste. De andere keer is de aanloop naar een perfecte tekst wat langer. Heb je tien rondjes langs je pc gelopen, iedereen gemaild, vier koppen koffie gedronken en zelfs de planten water gegeven, en wordt het tijd om het gewoon te gaan doen.

Om met Anne Enright te spreken: “The way to write is actually to write. A pen is useful, typing is also good. Keep putting words on the page.”

Bossche bollen en taalverloedering

Bosche of Bossche?

Een whapp van een 15-jarige dochter van een vriendin. ‘’hee, doe je nog steets dat gedoe op school’’. Hoezo, reageer ik, wil je mee doen dan? ‘’whaa, misschien.’’ En net als vorig jaar samen met Pien? ‘’kan, hoef nie’’. Ik laat het je wel weten. ‘’okeee dan, isgoe. Je typt wel sloom srry.’’

Het leven zoals het is. En communicatie zoals die is, tussen de moderne jeugd van tegenwoordig en iemand van de volgende generatie. Aan de ene kant leuk hoe een 15-jarige geen enkele schroom heeft en gewoon met mij ‘praat’ zoals ze tegen haar vrienden praat. Aan de andere kant is het natuurlijk de taalverloedering ten top. Moet ik dit erg vinden?

Ik ben van de school (en de generatie?) die sterk hecht aan goed Nederlands, in woord en geschrift. Er zijn nu eenmaal regels hoe je dingen zegt en schrijft, en daar hebben we ons gewoon aan te houden. Het Nederlands is een ingewikkelde taal, maar ook een mooie, en daar moeten we zuinig op zijn.

Ik wil het graag goed doen, en ik ben ook nog zo eigenwijs dat ik er anderen op wijs als ze het fout doen. Soms tot ergernis van mijn omgeving. Zeker als ik in een restaurant de spelfouten op de menukaart ga zitten verbeteren en de ober hier op aanspreek. Dat kan leiden tot een minuten durende discussie over het woord Bossche bol. De serveerster houdt vol dat het met één s is, ik blijf haar er van overtuigen dat het toch echt met twee s‘en geschreven wordt. Tot mijn partner het helemaal beu wordt, en gewoon appeltaart bestelt.

Taal leeft, taal verandert, is de repliek van de foutenmakers

Ik voel me echter steeds eenzamer worden in mijn strijd voor het Algemeen Beschaafd Nederlands. Je voelt je al gauw een mierenneuker, een ouwe zak en een zeur als je het hebt over spellingsregels en grammatica. Taal leeft, taal verandert, is de repliek van de foutenmakers.

Natuurlijk, dat is ook zo. Als we met z’n allen maar lang genoeg iets fout doen, wordt het vanzelf (gemeen)goed en komt het in de Dikke Van Dale en de Nederlandsche Grammatica als algemeen geaccepteerd.

Zo zeggen hele volksstammen tegenwoordig ‘de BN’ers waaronder Jan Smit’ terwijl het bij personen toch echt ‘onder wie’ moet zijn. Maar bijna niemand kent deze taalregel nog en dus ziet ook bijna niemand dat het fout is. De meerderheid vindt het gewoon prima, en de meeste stemmen gelden.

Nou doen wij taalpuristen onszelf ook wel de das om met de vele wijzigingen van de taalregels die de afgelopen jaren over de goegemeente zijn verstrooid. De tussen-n (pannekoeken en pannenkoeken), koppeltekens, trema’s (reunie en re-integratie); ik pak regelmatig het Groene Boekje om te kijken hoe het ook weer zit. En binnenkort is er een dagje opfriscursus van Onze Taal om alles weer scherp te hebben.

Taal is mijn vak, dus als ik het niet meer weet, dan is het voor de gemiddelde Nederlander (of Vlaming) helemaal lastig. En de vele discussies en tegenbewegingen (Het Witte Boekje naast het Groene Boekje) zorgen voor nog meer ruis.

Steeds met een ‘d’ of met een ‘t’, boeiuh!

Wat is er eenvoudiger dan gewoon lekker schrijven waar je zelf zin in hebt? Vooral jongeren hebben lak aan regeltjes. Past natuurlijk ook goed bij het puberale dwarsliggen. Steeds met een ‘d’ of met een ‘t’, boeiuh! Je snapt toch wel wat ik bedoel.

Dat is meestal ook zo. En zolang het in een whapp is of een sms’je, ach ja. Maar onlangs zag ik een metersgroot spandoek met daarop in zwarte koeieletters (excuus, koeienletters); Meeuwen feliciteerd Marianne Vos. Als je als feestcomité dan toch de moeite doet om drie lakens aan elkaar te naaien, verf te kopen, op de ladder te klimmen en zo’n doek op te hangen bij de rotonde, kijk dan even of het wel klopt wat je schrijft!

Feliciteert met een ‘d’. “Er was iets met een d, en een voltooid deelwoord, geloof ik, toch?”. Tenenkrommend. Ik ben in staat om zelf een ladder te pakken en met een blik rode verf aan de slag te gaan om de onwetenden op te voeden.

Misschien moet ik dat ook maar gewoon gaan doen. ’s Nachts, in het donker. Met bivakmuts en kwast eropuit trekken om als anonieme Held van het Juiste Woord de taal-vandalen met grote rode kruizen te straffen voor hun overtredingen. Moet heel bevrijdend zijn, stel ik me zo voor. Ik verlost van mijn frustraties en wie weet, misschien bekeer ik nog wel iemand. Taalpuristen aller landen, verenigt u!

Tafelvoetbal is ook oorlog

Kun je vissticks, een oranje auto en tafelvoetbal op enigszins coherente en logische wijze aan elkaar schrijven in een blog? Ik denk van wel, en ik ga proberen dat hier te bewijzen.

Voetbal is de belangrijkste bijzaak die er is, wordt vaak gezegd. De komende weken gaan wij Nederlanders aan elkaar en aan de rest van de wereld tonen hoezeer dat voor ons geldt.

Uren kunnen we erover praten, en dan toch vooral de mannen. Het is de enige bijzaak waar tv-programma’s over worden gemaakt die vooruitkijken op een evenement, vervolgens live verslag doen en daarna tot in den treure analyseren wat zich heeft afgespeeld op de voetbalmat. Dat kan zeer amusant zijn, als humoristische voetbalkenners zich aan die analyses wagen. Zelfs ik, als vrouw, kijk mee als Van der Gijp op tv zijn zegje doet.

Voor voetbal hebben we veel over, zo blijkt in een deze week verschenen boek over Voetbalmoeders; de moeders van bekende Nederlandse profvoetballers. Het verhaal van moeder De Jong (van Nigel) trof me het meest. Tot de dag van vandaag is het lievelingsgerecht van miljonair  Nigel een simpel bordje vissticks. Waarom? Zijn alleenstaande moeder had zo weinig geld dat ze haar kinderen geen vlees voor kon zetten. Maar Nigel moest als veelbelovend talentje toch gezonde dingen binnenkrijgen, dus koos ze voor vissticks. Tien vissticks voor een gulden  destijds, en dan had haar zoon toch een bord vol. Een mooi voorbeeld van wat een Nederlands gezin overheeft voor de ambities van een voetbalzoon.

Dat waren de vissticks en moeder De Jong, nu over naar de oranje auto. De opofferingen van de voetbalmoeders  (altijd maar naar de training rijden, kilo’s vuil wasgoed, ieder weekeind langs de lijn) behoren tot dezelfde categorie als de bezieling die de doorsnee voetbalfan overvalt wanneer het Nederlands elftal moet spelen. We schamen ons nergens voor. Al ruim voor Koninginnedag lagen zelfs de sjiekste winkels vol met allerhande oranje prullaria. Die meteen – handig – kan worden ingezet bij het EK.

Bij david zijn we net gewone mensen; wij doen lekker mee. Zo kwam stagiair Ruud aanrijden in een totaal gepimpte oranje-auto. Waarmee hij zich zelfs zonder gène op de openbare weg waagt. Nu al, weken voordat de Nederlandse voetballers hebben laten zien dat ze hun royale salaris waard zijn. Maar je bent gek van het spelletje of je bent het niet.

En zo kom ik bij de piéce de rèsistance; het Brabants Bureau Toernooi 2012 (BBT) Aan Tafel. Georganiseerd door ons eigen david, omdat mijn collega’s vorig jaar de onnoemelijke eer te beurt viel met de eerste prijs te gaan strijken. Wat voor het reguliere voetbal geldt, geldt net zo zeer of misschien nog wel meer voor het tafelvoetbal. Tafelvoetbal is een reuze gewichtige bijzaak.

Bij mijn allereerste bezoek aan david kon ik er niet omheen; de tafelvoetbaltafel neemt een prominente plaats in op de werkvloer. Na een ochtend of een middag hard werken aan mooie reclamecampagnes en communicatie-uitingen, kan het zomaar ineens gebeuren dat vier mannen als bij toverslag tegelijk opspringen om met een verbeten trek op hun gezicht plaats te nemen rond de tafel.

Tafelvoetbal is ook oorlog, net als de grote broer. Een klein grapje is nog wel toegestaan, maar niet al te veel, merkte ik al snel. En vrouwen aan de tafel is al net zo iets als vrouwen op het veld; je kunt het niet verbieden maar eigenlijk is het geen gezicht.

Vrouwen aan tafel is net zoiets als vrouwen op het veld; geen gezicht

Gelukkig ben ik wel welkom als supporter, op vrijdag 8 juni in het stadion van FC Oss. En we zoeken ook nog steeds teams (twee of drie spelers) van reclame- en communicatiebureaus waartegen de david-mannen hun titel kunnen verdedigen.  Op www.brabantsbureautoernooi.nl staat alle informatie.

Als je wilt, mag je helemaal in het oranje komen. In een oranje auto. En op speciaal verzoek serveer ik vanaf de tribune borden met vissticks. En daarmee is het cirkeltje rond.

Van oude woorden en dingen die voorbij gaan

De mooiste uitvinding die de mensheid ooit heeft gedaan, is taal. Betekenissen vangen in een opeenvolging van klanken, wat een geweldig idee! Er schijnen op de wereldbol nog steeds volkeren te bestaan die nauwelijks woorden kennen. Gemeenschappen die boodschappen overbrengen via knopen in touwtjes of gebroken takjes in het oerwoud. Het kan, en het zal best werken, maar wat missen deze mensen veel.

Het genot van het proeven van een mooi woord op je tong, van een reeks klanken die vloeiend je keel uitkomt, van geschreven karakters die een prachtige opeenvolging van tekens vormen. Ik kan er veel plezier aan beleven.

Het pure woord an sich is soms al mooi, nog zonder dat je de betekenis kent. Zo vind ik antimakassar een van de leukste woorden van de Nederlandse taal. Het klinkt spannend, exotisch, buitenissig. Anti, het zal dus wel ergens tegen zijn, maar waar tegen dan? En makassar, dat kan nooit gewoon maar een woord uit de Hollandse klei zijn.

Avonturen in een ver weg tropisch land, Kuifje in Afrika, daar doet het woord aan denken.

De betekenis is heel wat minder poëtisch. Een antimakassar is zo’n gehaakt rond kleedje, dat je oma vroeger thuis over de leuning van de stoel had hangen. Altijd gedacht dat het puur voor de versiering was, maar enig speurwerk leert dat het oorspronkelijk gebruikt werd om de stoel te beschermen tegen makassar-olie die de heren vroeger in hun haar smeerden. Anti-olie dus, olie die afkomstig was uit de Indonesische stad Makassar. Toch een beetje tropisch, dat wel. Maar ook een woord dat tegenwoordig bijna niemand meer kent. Want met de grootmoeders sterven ook de kleedjes uit, en wie smeert er nog Makassarolie in zijn haar?

Als de betekenis verdwenen is uit het dagelijks leven, verdwijnt ook het woord zelf. Een van de bijverschijnselen van het voortschrijden van de tijd, en het moderne dagelijkse leven. Woorden als feuilleton, embrasse, plusfour, over een paar jaar weet niemand meer waar ze naar verwijzen en uiteindelijk zullen ze zelfs de pagina’s van het woordenboek niet meer halen.

Maar taal is altijd in beweging, en dat moet ook. Een taal die niet verandert en vernieuwt is een dode taal. Woorden verdwijnen, en nieuwe woorden verschijnen.
En soms zijn er zulke nieuwe verschijnselen dat we de goede woorden er nog niet voor gevonden hebben. Zo kondigde onlangs een twitteraar trots de verschijning van zijn nieuwe digitale boek aan. Boek, zei hij, maar het is helemaal geen boek. Niet in de betekenis van het woord zoals wij die kennen. Boek is niet de juiste term om te omschrijven wat hij aanbiedt. Er is geen kaft, geen omslag, geen papier. Je kunt het niet vasthouden, of in de kast zetten.

Wat hij aanbiedt, is een “informatiebron” (bij gebrek aan een beter woord). Een serie woorden over een bepaald onderwerp bijeengebracht door een persoon, in een digitaal bestand. Een pdf’je, dat iedereen die dat wil kan lezen, binnenhalen of uitprinten.

De twitteraar bood slechts een heel sobere informatiebron, maar de mogelijkheden zijn natuurlijk legio.

Zo’n informatiebron is naar gelang de doelgroep uit te breiden met linkjes naar filmpjes, met foto- of geluidsmateriaal. Je zou zelfs het informatieniveau kunnen variëren, de digitale techniek helpt je daar graag bij. Wil je alleen de informatie op hoofdlijnen, wil je de informatie op chronologische volgorde of gegroepeerd naar thema? U vraagt, wij draaien. Wil je woordvoerders genoemd in de tekst zelf aan het woord horen of in beeld zien? Het kan allemaal.

Magazine, boek, website, geen van de bestaande woorden dekt de lading voor een dergelijk concept. Maar het is wel een concept dat de toekomst heeft, en steeds vaker toepassing zal vinden. Wie een goede toepasselijke en kernachtige omschrijving heeft voor wat ik gemakshalve maar “informatiebron” heb genoemd, mag het zeggen. De naamgever zal zijn/haar woord over niet al te lange tijd terug kunnen vinden in het officiële woordenboek. Want dat woord zal de komende decennia nog veel gebruikt worden.

Geen vals, maar echt sentiment

Voor ROC de Leijgraaf, een belangrijke klant van david, was ik onlangs op pad om studenten, docenten en medewerkers te spreken. Ze vertelden me hun verhalen en persoonlijke ervaringen, die resulteerden in (hopelijk) mooie, aansprekende en menselijke artikelen voor de net verschenen Open Dag Krant van het roc.

Van kinds af aan ben ik geïnteresseerd in mensen en hun verhalen. Altijd benieuwd naar wat iemand te vertellen heeft, altijd nieuwsgierig naar wat anderen beweegt en wat hun bezighoudt. Om vervolgens hun ervaringen in de juiste bewoordingen weer te geven, zodat ook anderen er kennis van kunnen nemen. Een goed verhaal wil iedereen wel horen. Met een goed verhaal kun je mensen raken, vandaar ook dat bedrijven en organisaties steeds meer op zoek gaan naar hun eigen verhaal, hun eigen story. Storytelling als middel om mensen aan je te binden, extern en intern.

Onderwijs nog steeds een passie
Hoewel er regelmatig gemopperd wordt op het onderwijs in het algemeen en het mbo (middelbaar beroepsonderwijs) in het bijzonder, is het mooi om te zien dat bij De Leijgraaf onderwijs nog steeds een passie is. Bevlogen docenten vertelden me over de persoonlijke begeleiding van leerlingen. Conciërges die al meer dan 25 jaar aan school verbonden zijn, gaven een inkijkje in hun wereld waarin praten en luisteren de belangrijkste instrumenten zijn voor een goede relatie met de spreekwoordelijke ‘jeugd van tegenwoordig’. En ook studenten vonden het leuk om te vertellen over wat hen bezighoudt, offline en online.

Je kunt het zien en voelen, of iemand meent wat hij zegt.

Je kunt het zien aan iemand of hij meent wat hij zegt, of hij niet alleen de goede woorden uitspreekt maar ze ook echt invulling geeft. Je kunt het ook voelen, in de begeestering waarmee ze praten en de emotie die uit hun ogen straalt. Echt gevoel, gemeend gevoel, dat herken je. Net zoals een echt verhaal. Dat gaat rechtstreeks van de zender naar het hart van de ontvanger, alsof er een onzichtbaar draadje door de lucht loopt. Bijna kun je de ‘ping’ horen, als de boodschap binnenkomt.

Soms vormen al die draadjes samen een onzichtbaar spinnenweb, zo bleek bij een bijeenkomst op datzelfde ROC de Leijgraaf. De school maakte de Uitblinker van het Jaar bekend, de student die volgens de hele Leijgraaf iets bijzonders heeft gedaan in zijn studie of stage. Vier studenten waren genomineerd. Vier jonge mensen die stuk voor stuk mooie dingen hebben gedaan en doen.

Geen vals sentiment
Maar eentje stak er toch met kop en schouders bovenuit. Vanwege de simpele zuivere emotie die ze uitstraalde. Juliana Dah, 23 jaar oud, bijna 10 jaar als Birmaanse vluchteling in een Thais vluchtelingenkamp gezeten, 3 jaar in Nederland en met maar een wens; leren.

Haar ambitie en inzet zijn tomeloos. Als ze dit jaar haar diploma haalt, wil ze verder studeren, als sociaal pedagogisch werker. Om uiteindelijk te gaan werken met kinderen, het liefst vluchtelingenkinderen en als het even kan in haar eigen vaderland. Haar wens, haar story, is bijna simpel in zijn eenvoud. Maar het gevoel er achter is echt, en wordt door iedereen herkend. Daar zit geen vals sentiment, geen schmieren bij. Dat is niet te faken, en ook niet na te maken.

Echte emotie is wezenlijk in iedere vorm van communicatie. Als die ontbreekt, valt de basis eronderuit. Dan kun je je verhaal nog zo mooi ‘pimpen’, de ontvanger prikt daar ongenadig doorheen. Ik wist het al wel, maar dankzij Juliana werd ik hier weer op een mooie manier aan herinnerd.